woensdag 15 september 2010

Wachten

Mijn Lief en de Belastingdienst: dat gaat al jaren niet goed samen. Stapels brieven, met vooral verzoeken om terugbetaling in allerlei soorten en maten, zorgen voor een steeds groter wordende frustratie. Nu hij en ook ik er bij de laatste brief helemaal geen chocolade meer van konden maken, besloten we tot een trip naar Het Belastingkantoor. ‘Want daar kunnen wij u verder helpen’, zeggen ze in de rechter kantlijn. Ach, we hebben vakantie en vandaag verder toch niet zoveel op het program, dus op naar de Karel de Grotelaan.


Werkelijk fascinerend, zo’n wachtruimte. In veertig minuten tijd (want zo lang moet je met je bonnetje-van-de-receptiemevrouw- wachten tot je aan de beurt bent, op een doordeweekse woensdagmiddag) observeer en amuseer ik me opperbest…

Er zijn banken genoeg in de wachtruimte. Best hele mooie nog wel, in alle kleuren van de regenboog. En dat is maar goed ook, die banken, want het gebouw is verder maar triest. Waarschijnlijk in de jaren ‘60 gebouwd en nooit meer iets aan gedaan. Datzelfde geldt voor de meeste medewerkers-met-pasjes-aan-de-broek trouwens. En dan heb ik het over het tweede gedeelte van de zin; ‘nooit meer iets aan gedaan’. De meeste exemplaren zijn denk ik wel vóór de jaren ’60 gebouwd.

De plant naast ons heeft een nummer. Want bij de Belastingdienst heeft alles een nummer. Wij ook. Dit is plant 01927. Er is iets raars mee aan de hand trouwens: de korreltjes in de pot duiden op hydrocultuur, maar de plant is overduidelijk van plastic. Vreemd.

Onze lotgenoten in de wachtruimte wachten. Want wat moet je anders in een wachtruimte. Ze wachten, ieder op hun eigen manier.

De man met de bruine leren jas is duidelijk niet op zijn gemak. Hij loopt heen en weer. Heen en weer. Heen en weer. Dan gaat hij zitten. Ogen dicht, mond ongeduldig trillend. Na vijf minuten staat hij op en loopt hij weg. Zijn bonnetje fladdert als een blad naar de grond. We zien hem niet meer terug.

Het stel met de mevrouw-met-de-enveloppe wacht geduldig. De man leest aandachtig in een tijdschrift. Het wachtbonnetje plakt aan zijn onderlip. Het ziet er raar uit, maar zijn vrouw lijkt het niet te deren. Hij doet dit soort dingen waarschijnlijk altijd zo.

Het stel-op-leeftijd zit heel dicht tegen elkaar aan. Gezellig. Zij leest in de Libelle. Ze glimlacht af en toe. Hij leest mee, zo half leunend tegen zijn vrouw. Dan gaat zijn telefoon. Hij rommelt in zijn binnenzak en kijkt over zijn bril naar het apparaat. Drukt ergens op en zegt ‘hallo?’. Zijn vrouw kijkt op. Drukt ook ergens op. Ah, hij doet ‘t.

'Hallo?’ …. De man glimlacht. Zijn ogen lichten op. ‘Nou, proficiat. En wat is het geworden? … Een jongen. Hmm. … Jaja. Ach. En, alles gezond?’ Hij luistert nog even. De persoon aan de andere kant van de lijn heeft veel te vertellen, dat kun je zien. Dan hangt hij op. Hij glimlacht naar de vrouw aan zijn zij, praat zacht en lacht. Lief.

En wij, wij wachten ook. Tot ons nummer zegt dat we ons kunnen melden aan balie 5. Het wachten is voorbij.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten